JUMPING

Hoe nader ik een hindernis bij paardrijden

De wijze waarop men een hindernis nadert is, voor zowel het paard als voor de ruiter, bepalend voor de kwaliteit van de sprong. Daarom moet men, voor dit cruciale moment, werken aan zijn positie en mentale houding. We proberen op deze pagina precies te beschrijven hoe u op een correcte manier de hindernis nadert.

Bereid u voor op de hindernis.

Tijdens de aanrijfase naar een hindernis, moet het paard evenwichtig en gemotiveerd zijn, want dan heeft u beter het tempo en de richting in de hand. Rij niet zomaar op een hindernis aan: u moet eerst nadenken en anticiperen! Kijk goed naar ervaren ruiters die aan het oefenen zijn. Probeer te begrijpen hoed ze te werk gaan en hou oren en ogen goed open. De springtechniek wordt in het hoofd voorbereid!

Te voet het terrrein verkennen

De deelnemers aan een springconcours verkennen eerst te voet het parcours; dit stelt ze in staat na te denken over de aanpak. Zelfs als u nog een beginner bent met springen, is het nuttig om deze oefening te doen op het oefenterrein of in de manege.

Goed leren kijken

Neem de hindernissen goed in u op en maak een plan dat voor u het meest geschikt is. Als u er van uit gaat dat één stap 1 meter is, moet u kijken waar de aanrijfase begint: deze ligt doorgaans 12 tot 18 meter voor de hindernis: dat betekent 3 tot 5 galopsprongen van het paard. Onthoud die goed en leer de afstand inschatten.

Rechtvoor

Het gaat erom dat men zo recht mogelijk voor het midden van een hindernis aanrijdt. Dit stelt het paard in staat zijn galopsprongen aan te passen aan het juiste moment van afzet, dus denk goed na voor u een hindernis neemt. Bekijk goed hoe de ligging van een hindernis in de manege of op het oefenterrein is. Heeft u ruimte genoeg om een volte te maken in galop? Waat moet je keren om het paard recht voor de hindernis te krijgen? Moet de bocht ruim of kort genomen worden?

Beheersen

Pas als u alles goed in u opgenomen heeft, gaat u in galop. Laat het paard een ruime volte maken totdat hij gewend is en zijn ideale balans en ritme gevonden heeft. Breng het paard in evenwicht door de handen laag en iets uit elkaar te houden en druk de knieën vast in het zadel. Rij de hindernis niet aan als u nog niet in balans bent en blijf op de volte rijden als u uw paard nog niet in de hand heeft.

Vooruit

Als u klaar bent, plaatst u zich op de juiste afstand ten opzichte van de hindernis; kijk er naar en draai uw lichaam zodanig dat de hindernis recht voor u ligt. Maak een niet al te kleine volte, om de hindernis zo recht mogelijk aan te sturen.

De goede werkwijze

Het paard steunt zwaar op de hand als hij een hindernis neemt en vooral als hij een serie hindernissen achter elkaar moet nemen. Om hem weer in evenwicht te brengen, houdt u hem in door één hand laag te houden en de teugel strak te trekken en de andere hand waarin de teugel ook strak gehouden wordt, met een rukje omhoog te bewegen om hem daarna weer te laten vieren, eventueel kunt u ook hier beide handen tegelijk gebruiken. Deze handeling moet krachtig, maar nooit ruw geschieden.

Hoe het paard springt

Zonder drang komt er geen sprong, maar 'drang' en 'snelheid' moeten niet door elkaar gehaald worden. Het paard dat klaar is om te springen gaat energiek maar evenwichtig op de hindernis af, alle kracht concentreert zich in zijn achterhand terwijl zijn voorhand licht en gemakkelijk bestuurbaar blijft. Een paard dat in een aanvallende houding op dehindernis afkomt, verplaatst al zijn gewicht naar de schouders toe en kan zich daardoor niet afzetten voor de sprong. Laat uw paard in de laatste galopsprongen vaart maken, maar laat hem niet te onstuimig van start gaan. Indien nodig, houdt u hem met een paard korte rukjes in.

Zijn natuurlijke impuls in goede banen leiden

Bij de laatste galopsprongen gaat u over in verlichte zit en spoort u het paard aan door middel van uw bekken, benen en hakken. Laat de teugels vrij door uw handen glijden zodat het paard zijn hoofd en hals naar voren kan brengen. Op deze manier kan hij vaart zetten met zijn achterhand, houd uw handen laag en iets uit elkaar.

Overzie de situatie

Goed kijken is van groot belang: kijk naar de hindernis, maar ook naar wat er achter ligt en bereidt u hierop voor. Lijk niet naar de basis van de hindernis. Wanneer het paard zich afzet, komt u uit het zadel en volgt u met de handen de hals wanneer het paard zijn hals strekt. Denk erom dat u het paard volgt en niet de handen te vroeg naar voren brengt om de teugels te laten vieren.

Wat u vooral niet moet doen

Tijdens het aanrijden houdt u handen en teugels stil. Geef duidelijk hulpen. Denk eraan dat u de teugels niet te krampachtig vasthoudt tijdens de laatste galopsprong want het gebeurt vaak dat de ruiter uit angst dat het paard zal uitbreken of van de zenuwen zich aan de teugels vastklampt. U volgt het paard, en niet andersom! Als u voor hem springt, brengt u hem uit balans en loopt u het gevaar dat hij weigert of dat u afgeworpen wordt.